Langue d’oc en Langue d’oui

Het is heel opmerkelijk dat het woord ‘oc’ zo vaak voorkomt in de suggesties voor een nieuwe naam voor een groot deel van Zuid-Frankrijk, zoals in een vorige blog werd vermeld. Dat is bepaald niet zonder betekenis. Want met dat woord ‘oc’ is de verovering en annexatie van Zuid-Frankrijk door Noord-Frankrijk verbonden. Wat we nu Zuid-Frankrijk noemen was in de Middeleeuwen geen deel van Frankrijk. Het was een politiek onafhankelijk gebied, met een eigen cultuur en bovenal een eigen taal, de langue d’oc. Pas na de kruistocht tegen de katharen in de 13de eeuw werd dit gebied deel van Frankrijk.
Ik voeg hier een hoofdstuk toe uit mijn boek over de katharen, waarin de grote betekenis voor heel Europa wordt geschetst van het toenmalige Occitanië, de naam die het gebied toen had, en zoals ik het hier ook zal blijven noemen.

Occitanië, smeltkroes van vernieuwing
Er waren zeer bijzondere omstandigheden die bijdroegen tot de grote populariteit van het katharisme in Occitanië.
De bloeitijd van het katharisme viel namelijk samen met een verbazingwekkende vernieuwing van de Europese cultuur in de 11de en 12de eeuw, de Occitaanse Renaissance.
Na het verval van het West-Romeinse rijk, ingezet rond het jaar 500 onder invloed van de volksverhuizingen, was West-Europa tot barbarij vervallen. Er was nog wel een korte opleving geweest van de cultuur tijdens de zogenaamde Karolingische Renaissance maar die was spoedig weer uitgedoofd.
En dan, vanaf ongeveer 1000, waait er opeens een frisse geest door Europa. Het is alsof Europa wakker wordt uit een diepe slaap. Het is het einde van wat wel de Dark Ages wordt genoemd, de donkere Middeleeuwen. Occitanië speelde daarin een leidende rol. Men spreekt daar dan Occitaans, ofwel de langue d’oc. Het woord ‘oc’ betekent ‘ja’. En Occitanië, als politiek en cultureel zelfstandig gebied, werd in die tijd ervaren als wezenlijk verschillend van Noord-Frankrijk, niet alleen in taal, maar ook in cultuur. In Noord-Frankrijk sprak men toen de langue d’oui, de taal dus van het Noord-Franse ‘oui’.
Het Occitaans, de <i>langue d’oc</i> dus, gold voor velen uit die tijd als de taal van de vernieuwing, de voertaal van het ontwaakte Europa.

In die culturele vernieuwing kunnen we velerlei verschillende aspecten onderscheiden. Er is een herstelde belangstelling voor de klassieke Griekse filosofen. Er ontstaat een nieuwe liedkunst, die van de hoofse minnezangen. Er ontstaat ook een nieuw ridderideaal, met eigen verhalen. Er komt een nieuwe sociale orde op, die van de vrije burgers in de steden.
Bovenal is het katharisme niet de enige religieuze beweging. Ook binnen de in verval geraakte rooms-katholieke kerk zelf vormen zich groeperingen die willen terugkeren naar het oorspronkelijke christendom.
In het kader van dit boek wil ik volstaan met een korte verkenning van deze vernieuwingsbeweging, met als doel het culturele klimaat te schetsen waarin het katharisme kon bloeien.

Nieuwe vrijen in de opbloeiende steden
In de twaalfde eeuw bloeiden in Occitanië oude en in verval geraakte Romeinse steden op, zoals Montpellier, Béziers, Mirepoix en Toulouse. Daar vormde zich een nieuwe sociale klasse, die van de zelfstandige ambachtslieden en handelaren. Het waren de ‘nieuwe vrijen’, de burgers.
Wie zich een beeld wil vormen van deze verandering bezoeke achtereenvolgens de Cité van Carcassonne en het stadje Mirepoix. Carcassonne is een indrukwekkend monument van feodaliteit, de middeleeuwse sociale orde. Door Mirepoix wandelend kan men zich gemakkelijk voorstellen hoe zich hier een andere, een stedelijke cultuur van vrije burgers ontwikkelde.
Deze burgerij zou gedurende de daarna volgende eeuwen het maatschappelijk karakter van Europa geheel veranderen, niet alleen omdat ze de broedplaats vormden voor de popularisering van het katharisme, maar ook omdat ze vijf eeuwen later de sociale motor zouden vormen achter de Franse revolutie.
Kenmerkend voor de toenmalige feodale structuur is Carcassonne. Binnen de muren van de Cité staat het paleis van de Trencavels, de feodale heren van Carcassonne.
In Mirepoix daarentegen staat aan het stadsplein het Maison des Consuls, het gemeentehuis van een min of meer democratisch bestuurde stad, met vrije burgers.
Vooral onder die nieuwe klasse van de burgers in de steden verwierf het katharisme grote aanhang. Vooral onder de wevers waren veel katharen, zelfs in die mate dat men de katharen in hun tijd wel tisseyrands, wevers, noemde.

Nieuwe belangstelling voor Griekse filosofen
De rooms-katholieke kerk stond al vanaf de eerste eeuwen nC wantrouwig tegenover de ‘heidense’ klassieken. Men beschouwde die teksten als heidens, gevaarlijk, en vooral: overbodig. De kerkvaders beschouwden het christendom als de voleinding van de heidense wijsbegeerte. Met de geopenbaarde waarheid van het christendom was een eind gekomen aan het nut van het zelfstandig denken. Augustinus had het overduidelijk gezegd:

Niets dient te worden aanvaard dan de autoriteit van de schrift, want de autoriteit daarvan is groter dan alle krachten van de menselijke geest.

En dat betekende dat het geen enkele zin had de oude klassieke filosofen te bestuderen, want die waren met de geopenbaarde waarheid van het christendom geheel overbodig geworden. Men hoefde niet meer zelf na te denken want de ene zaligmakende waarheid was nu bekend.
Terwijl de kerk de studie van de heidense klassieken verbood, werd die later juist ijverig ter hand genomen door islamieten in het nabije Oosten, met name in Syrië. Zij bestudeerden – en vooral bewaarden! – de teksten van de oude klassieke filosofen. Die werden door hen in het Arabisch vertaald en verspreid. Wij zijn de islam daarvoor meer dank verschuldigd dan velen in onze tijd geneigd zullen zijn hen toe te kennen. Als de islam niet de vele teksten van de oude klassieken bewaard had, en de belangstelling daarvoor levend had gehouden, zou er van een Renaissance in Europa misschien wel geen sprake zijn geweest.
Dankzij de islam komt zo rond 1150 Aristoteles Europa binnen, vanuit het Moorse Spanje. Aristoteles is, naast Plato, een van de grootste filosofen van het klassieke Griekenland. Hij leefde van 384-322 vC. Hij was de leermeester van Alexander de Grote.
Als ik door Zuid-Frankrijk trek, in het vroegere gebied van de katharen, is een van mijn geliefkoosde plaatsen de ruïne van het kasteel van Lordat, hoog op een bergtop ten zuiden van Tarascon-sur-Ariège. Vanaf die ruïne heeft men een magnifiek uitzicht op het dal dat de rivier de Ariège door de Pyreneeën geslepen heeft. Als ik daar sta, stel ik me voor hoe zwaarbepakte ezels uit het Moorse Spanje door het dal van de Ariège Zuid-Frankrijk binnentrokken, langs een oude heerweg die daar al door de Romeinen was aangelegd. In het reisgezelschap bevonden zich soms joodse en islamitische geleerden met in hun bagage vertalingen in het Latijn van de klassieke filosofen.
De islamitische cultuur werd in het Occitaanse Zuid-Frankrijk met grote bewondering en enthousiasme ontvangen. Zo leerde men daar niet alleen Aristoteles kennen maar ook de sterrenkunde, de algebra en ook de alchemie als voorloper van de scheikunde. Met name de Arabische geneeskunde stond op een hoog peil. De Arabier Avicenna had omstreeks 1030 zelfs de eerste medische encyclopedie geschreven.
In het Moorse Toledo was een vertaalbureau op commerciële basis opgericht waar men de Arabische vertalingen van de klassieke filosofen weer in het Latijn vertaalde, om ze vervolgens in het christelijke Europa te verkopen. Als pleisterplaats tussen het Moorse Spanje en Zuid-Frankrijk was het kasteel van Lordat een van de vele smeltkroezen waar de verfijnde cultuur van de islam, mét de kennis van de oude filosofen, overgedragen werd op het uit barbarij ontwakende Europa. Lordat zou later een van de toevluchtsoorden van de katharen worden. Het is nu nog slechts een ruïne.
In Montpellier ontstond een van de eerste universiteiten van Europa, waar de kennis uit de Arabische wereld gretig werd ontvangen en doorgegeven. Men bestudeerde daar Aristoteles met de commentaren daarop van de islamitische filosoof Averroës (1126-1198). Averroës was een tijdlang lijfarts geweest van de kalief van Marokko. Hij had een volledige uitgave in het Arabisch van alle toen bekende teksten van Aristoteles verzorgd, en ze voorzien van commentaar.

De studie van de klassieke teksten werd opnieuw door de rooms-katholieke kerk verboden. Ze konden daarvoor onder andere teruggrijpen op een tekst van de kerkvader Tertullianus:

Arme Aristoteles, die voor deze mensen de dialectiek uitvond, de kunst om van alles aaneen te rijgen en uit elkaar te rafelen, een kunst zo aanmatigend in zijn aanspraken, zo vergezocht in zijn verzinsels, gestaafd met zulke holle argumenten, met zo’n overvloed aan loze beweringen, dat ze in zichzelf verstrikt raakt, alles besprekend maar geheel nietszeggend.

Het averroïsme werd dan ook al snel toegevoegd aan de rooms-katholieke lijst van dwaalleren. Maar in Occitanië legde men dat verbod naast zich neer. Aristoteles, en de zienswijze daarop van Averroës, werd in Montpellier al lang onderwezen toen de universiteiten elders in Europa, met name in Parijs, nog de kerk volgden in de veroordeling van Aristoteles als heidense dwaalleer.
Voor die tijd nieuw – en vanuit het gezichtspunt van de kerk gevaarlijk – was het belang dat Averroës, namens Aristoteles, hechtte aan de rede. De kerk had het geloof steeds nadrukkelijk boven de rede gesteld. Maar Averroës betoogde dat de rede geheel onafhankelijk van het geloof zijn eigen waarheden kon blootleggen en daarbij geheel onafhankelijk van het geloof te werk kon gaan.
Het intellect is volgens Averroës geen vermogen van de individuele menselijke ziel, maar een eeuwige kosmische werkelijkheid waar alle mensen deel aan hebben. Het éne, alle mensen overkoepelende kosmische intellect stelt elke afzonderlijke mens in staat met zijn persoonlijke rede zelf deel te hebben aan de eeuwige waarheden en deze op eigen kracht te ontdekken.
Ja, dat tastte natuurlijk het leergezag van de kerk in haar fundamenten aan. Maar het is ook heel gnostisch, en het is daarom niet verwonderlijk dat Averroës bij de katharen zo welkom was. Door de bestrijders van het katharisme werden de kathaarse geleerden wel eens spottend ‘filosofen’ genoemd, en dat was als scheldwoord bedoeld.
Averroës betoogde ook nog dat men het goede zou moeten doen om het goede zelf, en niet voor het verwerven van een beloning of ter vermijding van straf in het hiernamaals. Ook dat stemde natuurlijk niet overeen met de kerkelijke dreiging met hellestraffen.
Ook het averroïsme werd verboden. Maar, zoals de rooms-katholieke hoogleraar Ferdinand Sassen in 1946 opmerkte: ‘Het averroïsme bleef nog vele eeuwen voortwoekeren.’ Let wel: ‘voortwoekeren.’
Her Averroïsme heeft in grote mate bijgedragen aan het intellectuele klimaat van Occitanië waarin het katharisme kon bloeien.

De troubadours en hun minnezangen
Er brak in Occitanië in deze tijd ook een geheel nieuwe kunststijl door, die we nu de hoofse cultuur noemen. Die werd vormgegeven door de troubadours. Natuurlijk waren er altijd al rondtrekkende vertellers, zangers en muzikanten geweest, maar de occitaanse troubadours waren anders, nieuw. Hun liederen en verhalen hadden een verfijnde schoonheid, die men voorheen niet kende.
Nieuw was ook dat ze hun prachtige minneliederen zongen in hun landstaal, de langue d’oc dus.
Kenmerkend voor de minnezangen van de troubadours was vooral de gepassioneerde wijze waarop de liefde, de minne, bezongen werd.
De vrouwe werd het bewierookte idool van de minnezangen. De schone aanbedene was de belichaming van de hoofse joie. De minnaar was haar onwaardige vazal, die zijn vrouwe, de domna zijn dienstbaarheid aanbood. In deze liederen bleef de minne voor de aanbeden vrouwe gewoonlijk onvervuld en dat bezorgde de minnaar hevige kwellingen. Hoofdthema in veel hoofse minnezangen is de smart van het onvervulde verlangen.
Door de louterende werking van de onvervulde minne verwierf de minnaar hoofse deugden, zoals edelmoedigheid, mildheid, zuiverheid. De hoofse minne beteugelde de passie en zette aan tot schone kunsten, zoals de bijbehorende muziek, waarvan nog enkele notaties bewaard zijn gebleven.
Dante heeft nog overwogen zijn Divina Commedia in het Occitaans te schrijven, want dat was toen de nieuwe cultuurtaal van Europa. Het Occitaans dreigde zelfs het Latijn te verdringen als cultuurtaal. Dante zei: ‘Door zich te bedienen van het Occitaans verwierven de vertolkers van de levende taal zich een eerste plaats in het dichtersgilde.’ Maar als hij dat opschrijft, razen ondertussen de troepen van paus Innocentius III al door Occitanië. Dante schreef zijn boeken toen toch maar in zijn eigen taal, het Italiaans, en dat past ook in een grotere historische beweging. Noord-Italië en Vlaanderen namen, na de kruistocht tegen de katharen, de vernieuwende culturele rol in Europa van Occitanië over, wat tenslotte zou uitmonden in de eigenlijke Renaissance van de vijftiende en zestiende eeuw.
Een belangrijke overeenkomst tussen de hoofse minnezangen en het katharisme is de belangrijke rol en betekenis van de vrouw. De vrouwen waren binnen het katharisme volkomen gelijkwaardig aan de mannen, zulks in schrille tegenstelling tot de onderdanige rol van de vrouwen binnen de rooms-katholieke kerk.
Een tweede punt van overeenkomst is de liefde. Even gepassioneerd als de troubadours hun liederen dichtten en zongen, wijdden de katharen zich vol overgave aan de toepassing van de liefde in de praktijk van het leven.
Wie de ruïne van het kasteel van Puivert bezoekt, en op zoek gaat naar ‘de muziekkamer’, kan zich met enige fantasie nog in het gezelschap wanen van de troubadours en muzikanten, zoals die daar in de hoofse tijd gezongen en gespeeld moeten hebben. Je zou er ook hebben kunnen luisteren naar de nieuwe ridderverhalen die daar verteld werden.

Nieuw ridderideaal
In deze opmerkelijke hoofse cultuur van Occitanië ontstond ook een geheel nieuw ridderideaal. Een jonge edelman kon worden gewijd tot het ridderschap met de meest vrome rituelen die men maar kon bedenken. Hij moest een ritueel bad nemen, een nacht in eenzame afzondering doorbrengen, zijn zonden opbiechten en een mis bijwonen. Zijn nobele plichten als ridder werden hem in een preek voorgehouden. Hij werd geacht bescherming te bieden aan weduwen en wezen, verjaagden en verdrukten.
De ridderslag, een plechtige klap met het plat van een zwaard op de schouder door een koning of een andere adellijke heer, was de plechtige bezegeling van dit ritueel.
Prachtige verhalen vertellen ons over de nobele daden van deze koene ridders.
De aandacht voor de verschoppelingen der aarde is op dat moment een geheel nieuw verschijnsel in de verhaaltraditie. Het zijn uitingen van de herbezinning die in die tijd plaats vond op de door Christus gepredikte naastenliefde.
In de tijd dat dit nieuwe ridderideaal vorm kreeg werden ook oude Keltische graallegenden vernieuwd; ze werden gekerstend. Zoektochten naar de graal verleenden vervolgens aan veel ridderverhalen een verheven spiritueel karakter.
Hoewel de graalbeker oorspronkelijk een Keltisch symbool is, werd nu verhaald dat de graal de beker was waaruit Christus met zijn discipelen wijn zou hebben gedronken aan de vooravond van zijn kruisiging, en waarin Jozef van Arimathea het bloed van Christus aan het kruis zou hebben opgevangen nadat een Romeinse soldaat hem met een speer in zijn zij stak. Jozef zou samen met Maria Magdalena naar Occitanië zijn gevlucht om daar de graalbeker in veiligheid te brengen.
Hoe dan ook, op deze wijze werd de Graal, van oorsprong een Keltisch verhaalelement, tot een christelijk symbool.
De nieuwe ridderverhalen tekenen zich met hun noblesse scherp af tegen de verhaaltraditie die daaraan voorafging. De vroegere ridderverhalen van het Europese vasteland vertoonden vaak een grote lompheid, zoals in een verhaal over keizer Karel, die in zijn jonge jaren op een nacht een kasteel zou zijn binnengedrongen, maar daar per ongeluk belandde in de slaapkamer van de kasteelvrouwe. Zij werd verschrikt wakker, maar voor zij een kreet kon slaken trof Karel haar met zijn vuist vol op de neus, zodat, vertelt het verhaal, haar bloed tegen de muren spatte. De vrouwe viel bezwijmd neer en de held kon zijn nachtelijke sluiptocht in stilte vervolgen. Deze grofheid tegenover vrouwen is in de nieuwe hoofse verhalen uit Occitanië als bij toverslag verdwenen.
En ook daarin zien we een overeenkomst met het katharisme waar de vrouwen met achting behandeld werden en als gelijkwaardig aan de mannen werden beschouwd.

Uit:
Bram Moerland,
De Katharen
Uitgever: 2014, AnkhHermes
ISBN 9789020210750

2 gedachtes over “Langue d’oc en Langue d’oui

  1. Met aandacht dit uittreksel uit je boek over de Katharen gelezen. Ik heb dit boek gelezen maar dat is al een tijd geleden. Ik heb het boek uitgeleend en nog steeds niet terug gekregen. Maar dit terzijde . Verschillende plaatsen die je beschrijft hebben wij bezocht als we in Prades waren. De Lanquedoc is een bijzonder gebied , een deel van Zuid Frankrijk waar prachtige , boeiende verhalen maar ook minder mooie verhalen zich hebben afgespeeld. In jouw boek en in dit uittreksel kwamen ze even tot leven !! Dank je wel , Ploon

  2. Beste Bram,
    Hartelijk dank voor je uitgebreide info over Occitanie.

    Leuk om te lezen.
    Met vriendelijke groet,
    Charda Paardekooper

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s